Anton Elias Blom, Amersfoort, 29 oktober 2007:

Op 10 mei 1940 vlogen vliegtuigen over Amersfoort en begrepen mijn ouders dat Nederland daadwerkelijk in oorlog was. Door de ligging aan de Grebbelinie was het mogelijk dat onze stad met gevechtshandelingen te maken zou gaan krijgen. Om die reden moesten de 44.000 inwoner geëvacueerd worden. Zo dienden ook mijn ouders met hun beide kinderen zich te melden op het station. Mijn moeder nam in een tas nog snel wat zilverbestek en sieraden mee. Vervolgens gingen ze met ons lopend richting station. Mijn vader had naast wat spulletjes, zus Ineke aan de hand en mijn moeder droeg mij, met in haar hand de tas. Al snel werd het dragen haar toch teveel en zat er niets anders op dan de tas maar van haar af te gooien.Wij werden geëvacueerd naar Bergen aan Zee. Vanaf 15 mei 1940 konden wij weer terugkeren in een vrijwel ongeschonden stad. Er brak een angstige tijd aan van verduisteringsplicht en overvliegende bommenwerpers. Duitse militairen beheerste het straatbeeld
.    
Enkele Amersfoorters tijdens de evacuatie. Ondanks de ernst van de situatie was er ook tijd om even vrolijk voor de foto te poseren. Mijn vader, Eli Blom staat op de linker foto onder de letter N van PENSION, moeder Marie Schimmel houdt hem stevig bij de arm vast.

Vanaf 1941 werden krijgsgevangenen ondergebracht in kamp Amersfoort. Hier hebben 36.000 personen gevangen gezeten. Het zwaarte punt lag aan het eind van de oorlogsjaren. Het voedsel kwam op de bon en werd schaars. Het gebeurde dat mijn vader ons mee nam de boer op om nog wat voedsel los te peuteren. Met kinderen aan de hand maakte vaak wat meer los. Ik herinner mij eens dat vader in Spakenburg een bosje paling onder zijn jas wist mee te smokkelen, hij werd aangehouden maar het werd niet ontdekt. In Leusden stonden wij een keer bij een kweker met een hele rij mensen. Duitsers schoten in de lucht om er voor te zorgen dat niemand ging voor dringen. Ik vond dit als kind een angstige ervaring.

Op 6 oktober 1944 hielden de Duitsers een grote razzia. Mijn vader moest toen met nog vijf a zes duizend mannen lopend en onder bewaking naar de Gelderse IJssel. Dit moet ook voor onze ouders heel ingrijpend zijn geweest omdat men toen nog geen notie had waar de mannen werden heen gevoerd en of je elkaar wel weer levend terug zou zien. Ik weet dat mijn moeder met ons, toen gebeden heeft voor een behouden terugkomst. Dat gebeden soms verhoord worden blijkt wel uit het feit dat vader al vrij snel weer terug was in Amersfoort. Wat was het geval: Hij moest net als de andere stadgenoten dagelijks graven nabij de IJssel. Op een dag kwam in het kamp, waar ze waren ondergebracht, een vrachtauto van een bouwbedrijf uit Amersfoort. Door zijn werk als assurantietussenpersoon kende hij de chauffeur die in het kamp iets moest afleveren. Hij vroeg of hij mee mocht terug rijden naar Amersfoort. De chauffeur bood hem, voor eigen risico, een plek aan onder een dekzijl in de vrachtruimte. Het moet spannend zijn geweest toen de wachtpost moest worden gepasseerd. In Amersfoort aangekomen, moest hij vanwege het risico dat hij weer opgepakt zou worden, meteen onderduiken. In een groot herenhuis, waar mijn oma woonde, heeft hij toen een hele tijd achter een houtenschot zich moeten verbergen. Aan ons als kinderen werd dat niet verteld om te voorkomen dat wij onze mond voorbij zouden praten.

Bewondering heb ik ook voor mijn enige zus die drie jaar ouder is dan ik. Samen waren we op weg naar school, Ineke zat op de meisjesschool en ik op een school een paar honderd meter verderop. Opeens waren er luchtaanvallen. Ineke bedacht zich geen moment nam mij meteen onder haar hoede, en vluchtte met mij de meisjesschool binnen. Naast mijn ouders, voelde zij zich erg verantwoordelijk voor haar jongere broertje.

De winter van 1944 was zeer streng, beperkte elektriciteit en vanaf 26 oktober werd er geen gas meer geleverd. Mijn vader wilde er voor zorgen dat we niet in de kou kwamen te zitten. Dus s'avonds pakte hij een bijl en hakte hij met een buurjongen, een boom om die in onze straat stond. Hij werd echter verlinkt door een buurtbewoner. Wie kon je toen wel en niet vertrouwen? Het gevolg was dat hij zijn persoonsbewijs moest inleveren. Om deze weer terug te krijgen moest hij een periode de spoorlijn bewaken, met alle risico's van dien. Ik heb ook vernomen dat er van tijd tot tijd iemand aan de deur kwam met een illegaal blaadje. Een tuinbankje werd door vader oranje geschilderd als zijn protest tegen die ellendige oorlog.

  

Gelukkig, op maandag 7 mei 1945 trokken Canadese verbindingstroepen onze stad binnen en was ook Amersfoort bevrijd. Vanaf die datum tot Koninginnedag, 31 augustus was er groot feest in de stad, waar mijn ouders ook een bijdrage aan hebben geleverd. Daarna kon men aan de wederopbouw beginnen.

De bevrijding had voor ons nog een extra betekenis. Mijn vader had namelijk als jongeman de stoute schoenen aangetrokken om te gaan pionieren in Canada. Daar heeft hij circa acht jaar op een farm gewerkt. Bij terugkomst ontmoette hij mijn moeder, trad met haar in het huwelijk om verder in Nederland te blijven. Meteen na de oorlog werd op een zondag bij ons aangebeld en tot grote verrassing van mijn vader stond daar op de stoep Bill Brown, de zoon van de Canadees waarbij mijn vader destijds had gewerkt. Als militair had hij een bijdrage geleverd aan onze bevrijding. Dat het weerzien hartelijk was zal wel duidelijk zijn. Er kwamen kort na de bevrijding regelmatig Canadesen bij ons over de vloer. Dit had te maken met het feit dat vader zich had aangemeld als tolk. Zo herinner ik mij All en Howard die veel bij ons thuis waren en ook het kerstfeest bij ons vierden. Op één of andere manier hadden ze toen een kalkoen geregeld die s'avond met de hele familie feestelijk werd opgegeten. Mijn moeder die niet alleen goed kon koken was ook erg proper. Toen de beide Canadesen met wat stukken zeep kwamen, die ze uit de kazerne waar ze overnachten, hadden meegenomen, was ze erg in haar sas. Zelf heb ik altijd het mooiste gevonden dat ik af en toe door de soldaten met een groot legervoertuig naar school werd gebracht. Op mijn schoolvriendjes maakte dat een enorme indruk. Van de Canadesen kreeg ik kaakjes die ik op school wist om te ruilen voor spul waar ik belangstelling voor had. Kortom een prachtige herinnering en nu maar hopen dat we nog lang in een vrij land mogen wonen.

Wilhelmina Hendrika Wusten-Blom, Leidschendam 24 november 2007:

Mijn vader, Willem was tijdens de oorlog de 40 jaar al gepasseerd, maar toch was hij bang dat hij opgepakt zou worden bij een razzia. Hij besloot dan ook onder te duiken. Als er een razzia was in de wijk dan werd er een naburig school gebouw ingericht voor de opvang van de opgepakte mannen. Hiervoor was het van belang dat de wijk in het licht stond en dat er dus stroom was. Ik herinner mij dat wij de tip kregen om de stofzuiger in het stopcontact aan te laten staan. Als de Duitsers de straatverlichting aan deden en dus het stroom aansloten sloeg bij ons de stofzuiger aan. Deze methode bleek al snel te werken, we waren allemaal klaar wakker ruim voordat de Duitsers kwamen, mijn vader is gelukkig niet opgepakt.

Kees Blom, Nieuw Vennep januari 2009:

Hier volgt een verslag van Kees Blom over de oorlogstijd. Hij verbleef toen met zijn ouders, broer en zus in Soerabaja. Zijn broer heeft veel aantekeningen gemaakt waaruit dit verslag is ontstaan.

Aag is geboren op 17-6-1941 in het Darmo Boulevard ziekenhuis te Soerabaja. Destijds was het de gewoonte om de kinderen naar de ouders te vernoemen. Mijn broer is vernoemd naar mijn vader en mijn moeder wilde niet dat haar dochter naar haar vernoemd zou worden. Mijn vader had het haar plechtig beloofd, maar toen hij aangifte ging doen was hij zo blij dat hij zijn dochter toch naar haar had vernoemd. Het ziekenhuis waar Aagje geboren was, was van het Legers des Heils, daar ben ik ook geboren op 19-8-1938 met een kaal hoofd en krommen beentjes. Volgens mijn vader kon er een varken onder door lopen. Hij zei dat ik eigenwijs was en een “willetje” had, mijn vader noemde me zelfs Mussolini, een dictator toendertijd. Ik wilde alles “sef” doen, zei ik als kleuter, zo klom ik een keer de trap op, en rolden naar beneden, brullen natuurlijk,en ik kreeg van me vader nog een paar klappen op m´n kont toe.
Het zijn de jaren 40/41, onze vader Nicolaas Wilhelm Blom was korporaal bij de marine (radio telegrafist). Hij heeft nog gediend op het schip De Zeven Provinciën, ik heb wel eens van hem gehoord dat hij aan de wal was, toen de beruchte muiterij uitbrak. Dus mijn vader had geluk. In de jaren 40 kocht hij voor het eerst een auto, een nieuwe Opel Kadett, mijn ouders waren daar verliefd op, zeker mijn moeder. Maar lang hebben ze er niet van kunnen genieten, ingepikt door de Japanners en gelijk in legerkleuren gespoten, mijn broer heeft die auto later nog voorbij zien rijden. Na de geboorte van Aagje, werd mijn vader overgeplaatst van Soerabaja naar Batavia (Djakarta). Dus vertrokken wij met z´n allen met de trein. We hadden een 5-persoons coupe, alleen Aagje lag in een reiswiegje. Het was een langen reis via Goebing. In Batavia aangekomen zijn we met ons allen een hotelletje ingetrokken. Er waren erg veel muggen en veel te weinig klamboes aanwezig. We zagen daar een töke, een soort hagedis met 5 zuig napjes onder zijn 4 pootjes en zo houdt het beest zich vast aan het plafond. Het zijn heel nuttige beestjes, ze eten allerlei insecten. Ze laten zich wel eens vallen, bij mij een keer op mijn schouders. Je krijgt ze dan alleen los met warmte, bijvoorbeeld door er een brandende sigaret vlak bij houden. Maar als kind wil je wel gillen als het je overkomt, maar vader redde me uit de benarde positie. De volgende dag gingen mijn vader en broer naar het bureau huisvesting. Wij kregen een vrij groot huis toegewezen op de Mampangweg 27 en we trokken er gelijk in. Het was een knots van een huis, met veel kamers, Aag en ik lagen bij elkaar en Nico had een eigen slaapkamer. Vader heeft nog boven onze bedden schotten aan gebracht om ons te beschermen tegen vallend puin. De oorlogsdreiging kwam dichter bij, er vielen al Japanse bommen vlak bij onze woning neer.
In Batavia, waar we zaten in 1942, zag je dat de Japanse inwoners hun huizen uit moesten en in Soerabaja zag je het zelfde gebeuren met de Duitse inwoners! Op de Mampangweg bleven we naar kort, ongeveer een half jaar, ook de scholen werden gesloten. De reden was dat Nederlandse militairen er in moesten. Wij verhuisden toen naar een boerderij kompleet met koeien. Daar woonde de familie Uithuizen en daar kregen we een kamer met een slaapkamer. Hoe vader aan het adres was gekomen weet ik niet. Vader was nu zonder werk, als burger bij de marine. Vader en Nico reden wel eens met een bakfiets om radio’s te halen, om te repareren, vaders hobby was ook zijn werk bij de marine. Deze hobby was bijna zijn dood geweest. Hij had de radio’s namelijk goed verborgen onder een zelfgemaakte bank, met een overtrek en een lap naar beneden met daarop de kussens. Toch is vader verraden. Hij werd opgepakt, kreeg eerst een klap op zijn hoofd van de Kempe-tai (Japanse Gestapo) die zaten op het Koningsplein te Batavia.

Vader stond tegenover een groep Japanners en kreeg van een beul een klap in zijn gezicht. Hij werd in een cel  gegooid en dagenlang op de knieën afgebeuld en geslagen. Nu had mijn vader toch geluk. Vader had in Soerabaja als hoofd van een radioafdeling gewerkt voor de Marine en had destijds enige Indonesiërs onder hem staan. Daar werkte ook een zekere Benendro en deze was erg op mijn vader gesteld. Mijn vader werd verdacht als spion vanwege het feit dat hij veel radio zenders had. Tijdens zijn verhoor viel de naam van Benendro en de Kempe-Tai besloten hem op te halen voor ondervraging. Benendro kon beamen dat mijn vader het repareren van radio’s als hobby had. Mijn vader mocht toen terug naar huis, maar als blanke Nederlander hadden we niet veel bewegingsvrijheid meer in Indonesië. Op een dag wandelde mijn vader naar een treinhalte. Onderweg werd hij staande gehouden door in een burger geklede Indonesiër. Mijn vader moest zijn paspoort laten zien en deze werd gelijk ingenomen. De man duwde zijn vingers in mijn vaders borst en zei: “Jullie zijn altijd ploerten voor ons geweest”. Het paspoort heeft mijn vader nooit terug gezien.

Voordat vader het kamp in moest, had hij met moeder afgesproken om wat belangrijke spullen van ons, op de boerderij van familie Uithuizen te verbergen. De eigenaar werd “Paatje" genoemd, hij zat in het leger en was al opgepakt. Hij zat in het kamp waar later vader ook naar toe werd gebracht, het burger internerings "adek''.  Familie Uithuizen had veel kinderen, hun oudste dochter werd Zonnetje genoemd. Zij was een schat, vond moeder. En zij heeft de spullen in ontvangst genomen, in een drogen put gelegd, met een deksel er op. Er zaten o.a. schilderijen en Delfts blauwen borden bij. Na de oorlog hebben we de spullen opgehaald bij Zonnetje.
Vader vluchtte steeds om maar niet opgepakt te worden en om zijn gezin te beschermen. We verhuisden naar de Halte Dierentuinlaan 10, naast een expediteur "Martens". Deze man had verhuiskarren, dat waren platte karren met hoge wielen en we verhuisden daarmee. Op dat adres heeft vader, samen met Nico een zware Harley Davidson, vaders trots, opgehesen tussen het dak en plafond. Maar ook dit is verraden. Een Indonesiër hield alles in de gaten, een Japanner kwam aan de deur en wist precies waar hij zoeken moest. Vader moest mee, moeder moest een koffertje klaar maken en werd per bedjâh weggevoerd. Dat was voorlopig het laatste wat we van vader zagen. Niet lang daarna kreeg moeder bericht, we moesten met ons vieren komen op het politie bureau, alwaar een hoofdcommissaris zetelde, een zekere Pohan, een Atjeher, een felle. Deze moest ons mede delen dat we het kamp in moesten en wat we mochten meenemen. Bitter weinig, wat kleren en wat kleine spullen. U begrijpt, na de oorlog hadden we niets meer, berooid door de Japanners. Vader had voor moeder een gordel gemaakt, die kon ze onder der kleding dragen en daar zaten vakjes in voor papier geld. Zo kwamen we in het kamp Kramat aan en daar woonden we in een kamertje van 3 bij 4 meter. Na drie maanden kregen we te horen dat alle jongens van 10 jaar en ouder bij hun moeder weg moesten, maar waar zouden die naar toe gaan?
Op 31 augustus, de verjaardag van koningin Wilhelmina, moesten we ons verzamelen, ook de zieken op bedden en brancards. Op 3september moesten we weg, we werden samen gedreven op een groot plein. Grote vrachtwagens stonden al klaar en daar moesten we in. Er was erg veel geschreeuw, de Japanners gooiden met grote stenen naar de huilende moeders. Wij zijn toen gebracht naar Grogol, een plaats buiten Batavia. Dit was een krankzinnigen inrichting. Daar zijn onderstaande klompjes gemaakt.


 
Pas veel later, vlak voor de bevrijding, hebben we de klompjes gekregen, maar toen pasten ze al lang niet meer. Volgens mijn broer is het in het jongenskamp verschrikkelijk geweest. Als je niet voor je zelf op kon komen werd je continu getreiterd. De meeste hielden dat niet vol, werden ziek en kwamen te overlijden. Nico is er nooit goed bovenop gekomen. Een deel van die jongens zijn later ingedeeld bij de mannen kampen. Wonder boven wonder, is Nico meer dood dan levend, bij mijn vader in het kamp terecht gekomen. Eerst gingen de jongens naar de ziekenboeg, vader heeft hem zo goed als hij kon verzorgd. Later werkten ze samen aan de Birma spoorlijn, de beruchte spoorlijn. Onder elke biels ligt een dode, werd er gezegd.  
Moeder, Aag en ik zijn niet lang in het Kramatkamp gebleven, wij moesten zonodig weer verhuizen. Dat kamp heette Borgor, vlakbij Buitenzorg en dat ligt 200 km ten zuiden van Batavia. Veel mochten we niet meenemen, eigenlijk alleen wat handbagage. Moeder was bezorgd over ons, of we bij elkaar zouden blijven. Het was erg heet op het stationnetje, we werden als beesten vervoerd, er zijn door die hitte heel wat mensen bezweken en flauw gevallen. In het kamp Borgor was het vreselijk, erg vies en amper ruimte voor iedereen. Moeder is nog erg ziek geweest, wat het was weet ik niet meer. Moeder was een sterke vrouw.

Enige tijd later zijn wij naar ons laatste kamp gebracht (kamp Makasser), een iets beter kamp. Het was er wat schoner. We sliepen op een soort bamboe stellage en veel ruimte hadden we niet, ongeveer 40 cm. voor ieder, men noemde dat Bale Babe . Ook hadden we veel last van wandluizen (wandberen) in die bamboe en dat veroorzaakte veel jeuk. In dat kamp zat ook Corrie Vonk, ze droeg veel voor met liedjes. De vrouwen mochten van de Japanners een groentetuintje houden, waarin iedereen moest helpen. Aag en ik hielpen moeder er bij. Ik was 6 jaar, dus ik begon te beseffen wat er zo in het kamp gebeurden. Ik liep met een zelfgemaakte katapult rond, een soort wichelroede met elastiek er tussen. De katapult werd gebruikt om ratten en anderen diertjes te doden, die werden gekookt en opgegeten, maar de moeders hebben het van ons afgepakt.
Er waren ook wreedheden gegaan door de Japanners. Zo weet ik dat een aantal vrouwen iets hadden gestolen, van een berg goederen (koffers met inhoud, die de vrouwen moesten inleveren) toen ze het kamp in kwamen. Een Japanner was er achtergekomen, of misschien was het wel verraden. Meteen werden de vuren gedoofd en was er 2 a 3 dagen geen eten. Maar de vrouwen meldden zich niet. De moeders spoorden ons aan om slakken te zoeken en die waren er genoeg. Ze werden in een ijzeren ton gegooid, met kokend water. Als je honger hebt, was dat slakenvlees verrukkelijk. Uit eindelijk zijn die vrouwen opgepakt. Zij werden op een open veld kaal geknipt. Ook iedereen die ziek of bedlegerig was moest present zijn. Het kamphoofd, met twee beulen met karwats (zwepen) naast zich, duurde het knippen waarschijnlijk te lang en hij begon die haren er uit te trekken. Het bloed liep langs hun gezichten, het was voor Aag en mij een vreselijk gebeuren. Later zag je die vrouwen lopen met een hoofdband met een stukje haar eronder uit steken. Er werden wel meer vrouwen gestraft en meestal moesten ze dan lang op hun knieën in de hete zon zitten. Vaak bezweken de vrouwen aan een zonnesteek of vielen ze bewusteloos neer. Had niet de moed om ze te helpen, dan werd je zelf gestraft. Pas als het donker was, mochten de vrouwen helpen.

Elke ochtend om 6 uur moesten we op appel verschijnen, ziek of niet iedereen moest verschijnen. Als het kamphoofd met de twee beulen langs liepen, moest iedereen heel diep buigen. Als zij vonden dat je niet genoeg boog, kreeg je een zweep slag over je heen, dat gebeurde vaak. Over het hele kamp was een schutting van gevlochten bamboe van 2 meter hoog. De vrouwen hadden om beurten het gezag voor een week over een barrak. Moeder zorgde eerst dat we sliepen, maar op een nacht werd ik wakker en ben ik haar gaan zoeken. Het was er altijd pik donker. Ik ben toen in een slokkan (beerput) terecht gekomen, wat heb ik geschreeuwd. Ik zakte steeds dieper weg, als ik het moeilijk heb, droom ik er nog van en word ik bezweet wakker. Twee Japanners hebben mij er uit getrokken. Twee vrouwen hebben mij meteen meegenomen en mijn moeder gewaarschuwd. Zij boenden me gelijk schoon want ik stonk vreselijk. In de groentetuin, die de vrouwen bewerkten, werd een kwart opgegeten door de slakken. Wat het wel goed deed was lombok, groene en rode pepers. Een meisje die daar van at,  daarvan is het maagje verbrand. Zij is er aan overleden, moeder waarschuwde ons daar voor. Moeder zorgde goed voor ons, ze was net een kloek, hoewel ik moet toegeven, dat ik erg aan haar rokken hing. Aag was daar veel vrijer in en had lak aan iedereen. Zij ging overal op af. Moeder gaf mij opdracht om op haar te letten.

Oorlog voeren tegen de Japanners, was erg bedroevend, wij hadden weinig materieel en manschappen en zij liepen als mieren over het land en door de stad heen. Op zee was alles ook zeer magertjes, wij hadden niets in te brengen. Erg droevig. De bevrijding was op 15augustus 1945. Wij wisten toen nog niet dat Amerika atoombommen had gegooid, later heb ik gezien wat een verwoesting voor de bevolking dit tot gevolg had. Hele steden zijn weg gevaagd en er vielen ontelbare doden. Maar wie weet als dat niet gebeurd was, hoe groot was het verlies aan mensenlevens dan?
Een week later kwamen de Britse Indiërs, ze vlogen met 2 a 3 Dakota’s (vliegtuigen) over ons kamp Makassar. Naar mijn idee vlogen ze veel te laag, Aag en ik waren vreselijk bang. Grote kisten met voedsel wierpen ze uit, al die vrouwen gillen van vreugde en dansend rond het voedsel. Wij kropen zowat onder moeders rokken van angst, we begrepen het niet. Een kist, waarvan de parachute niet open ging, donderde dwars door een barak, toch bleven die vrouwen maar dansen van vreugde. Alles werd door de kamphoofden in beslag genomen en later werd het mondjes maat verdeeld onder de vrouwen. Naar mijn weten is dat goed gegaan.
De Japanners waren er nog en moesten van de Britten ons bewaken tegen de Indonesiërs. Later zijn ze afgevoerd en werden ze vervangen door Gurka’s, deze mensen kwamen van een Britse kolonie van Engeland, het zijn heel goede vechtjassen. Eigenlijk zijn het soldaten uit Nepal. Ik was bang voor ze, ze hadden geen geweren maar stonden met zwaarden op wacht. Ze waren vrij groot en hadden zwarte baarden en een knot op hun hoofd. Het was een nare tijd. De Engelsen waren er nu wel met een extra leger. Ik vraag me af hoe vader en Nico uit het kamp zijn gekomen. Ik weet van vader dat er te vroeg dominees en priesters het kamp uit gingen, om weer te preken, ze hebben niets meer van ze gehoord, dus zijn ze vast vermoord. Vader had voor elkaar gekregen dat hij een klein huisje in een herenigingkamp toegewezen kreeg. Na een maand dacht mijn vader “ik ga mijn vrouw en kinderen halen uit het kamp Makassar”. Hij was niet bang, ging naar het station te Bandoeng en nam de trein maar ons toe. Maar toen was alles nog een chaos, een kaartje kopen was er niet bij, vader hing buiten de wagen op een treeplak. Toen vader terug kwam, had hij puntjes in zijn gezicht van die hete roet deeltjes van de locomotief. Vader moest terug, wij mochten nog niet het kamp uit. Het duurde nog enkele maanden voordat er bericht kwam dat de vrouwen en kinderen op transport gingen van uit Batavia. Vader ging op die bewuste dag naar het station, eigenlijk was dit nog levensgevaarlijk, maar hij wou zo graag zijn gezin weer kompleet hebben na al die jaren.
De trein was zwaar bewaakt, met boven op de Jappen met mitrailleurs in aanslag. In de wagons, zaten Engelsen voor de ramen, met geweren, de vrouwen en kinderen zaten op de grond, zo veel mogelijk verscholen. Het station werd ook zwaar bewaakt. Vader heeft ons opgevangen, hij vloog moeder in de armen, erg emotioneel. Wij stonden beteuterd te kijken, we zagen voor het eerst onze vader. Voor ons nog een vreemde man. Wij waren nog te klein toen vader gevangen werd genomen. We moesten snel bij het station weg, er stonden al vrachtwagens voor ons klaar. We werden afgezet bij ons huisje aan de Kihioerstraat, een beschermd terrein.
Ik weet niet wat er in de mannenkampen heeft plaats gevonden, waar onze vader in heeft gezeten. Vader vertelde er niets over, als ik wat vroeg . Hij zei: “Dat is verledentijd, jongen, we moeten aan de toekomst denken”. Soms als we van ons werk thuis kwamen en we gingen een potje schaken en ik schonk een borrel voor hem in dan liepen de tranen over zijn wangen.

 

Sonja Louise Blom, februari 2009:

Sonja heeft nog enkele documenten gevonden over de oorlogsjaren, het eerste is de oproep tot de februari staking:

Ik weet dat mijn vader, Frederik Otto hier ook aan mee heeft gedaan, zoals zoveel bedrijven destijds was de N.V. Groeneveld van der Poll te Amsterdam verplicht voor de Duitsers te werken. Mijn vader kreeg dan ook een boete voor zijn afwezigheid.

Jaren later kreeg mijn vader het bevel om in de nacht van 1 op 2 april 1943 de spoorlijn Amsterdam-Amersfoort te bewaken. Hij moest zich melden bij politiekorps Kleine Drift te Hilversum. Het niet komen opdagen werd streng bestraft!

  

Mijn moeder liet zich niet onbetuigd en heeft diverse hongertochten gemaakt op haar fiets met houten banden. Daar de mannen onderweg opgepakt zouden kunnen worden door de Duitsers, was het de taak voor veel vrouwen om toch nog wat eten te bemachtigen. Zij ging op 16 december 1944 op pad en kwam op mijn eerste verjaardag, 17 december terug met diverse levensmiddelen, zoals spek, meel boter en een paar eitjes, gekregen bij de boeren in Zwolle en omgeving. Zij mocht overnachten in een hooiberg bij de boer met nog meerdere vrouwen, die ook op hongertocht waren. Om er zeker van te zijn dat haar fiets niet onderweg afgepakt zou worden door de Duitsers, heeft ze op een of andere manier een bewijs kunnen krijgen dat haar fiets absoluut niet afgepakt mocht worden.

Blom, februari 2010

Voorzover bekend waren er geen familieleden in de oorlogsjaren bij het verzet aangesloten. Ook zijn er geen heldhaftige daden bekend. Van een enkeling is zelfs bekend dat er werd gesympathiseerd met de Duitsers. In een krant uit 11 april 1946 wordt melding gemaakt van een familielid die zich moest verantwoorden voor een tribunaal. Dit Tribunaal moest uitspraak doen over personen die in de oorlog lid geweest waren van de NSB. In het kranten artikel stond de volgende tekst.

In 1938 kwamen er geregeld buurlui bij Blom op visite, die aandrongen dat hij lid der Beweging zou worden. "Eindelijk had hij gezegd: "Noe, zet mien er dan maor op" en zo werd Blom lid.
Op de vraag van den President of hij later niets gemerkt had van Jodenvervolgingen etc. antwoordde hij: "Och joa, ik kon 't niet helpen, ik stond d'r met de handen in de bokse bie".
Overigens was hij geen held geweest, want al stond hij geregeld gevaarlijk met een geweer te zwaaien, toch bleek hij een paar maal een gevoelig pak slaag te hebben opgelopen. "Dat kump umdak altied zo schreeuwden" deelde hij mede.
Over 14 dagen uitspraak. Uitspraak: 1 jaar met aftrek (22 mei 1946) en verbeurdverklaring van zijn vermogen tot fl. 3000,-. (was 22 mei 1945 gearresteerd)

Uit privacy overwegingen is de voornaam en de woonplaats van de betrokken persoon uit dit artikel verwijderd.

Volgens de verhalen was deze Blom overigens niet de beroerdste, er wordt beweerd dat hij een Joodse familie onderdag heeft geboden, "omdat ze bij mij toch nooit zullen zoeken"

Blom, augustus 2011

Tijdens de tweede wereldoorlog traden zo´n 25.000 Nederlander in Duitse krijgsdienst. Zij verloren hierdoor na de oorlog hun Nederlanderschap. In 1953 werd door de Nederlandse Staat een wet ingevoerd waardoor deze statenloze Nederlanders hun Nederlanderschap weer terug kregen. In onze stamboom staan ook een tweetal Blommen, die dankzij deze wet weer een Nederlands paspoort kregen. De namen worden niet op deze site bekend gemaakt.

Blom, oktober 2013

Er zijn ook familieleden die in de tweede wereld oorlog goed werk hebben verricht, Johan Herman uit Doetinchem is daar een van:

jH Blom

 

Blom, november 2015

Het Nederlandse leger heeft in de begin dagen van de tweede wereld oorlog nauwelijks oorlogsdaden verricht. Om grote plaatsen te beschermen tegen de oprukkende Duitsers werden er wel talloze huizen opgeblazen aan de rand van deze steden om een goed schootsveld te verkrijgen. Achteraf gezien een zinloze daad...

Joop Blom

Hier is de op 10 mei 1940 opgeblazen woning te zien van Joop Blom uit Leusden, aan de rand van Amersfoort. In het midden van de foto zit Joop met zijn dochter op de resten van zijn woning. Joop, die zelf architect was, wist op deze locatie na de oorlog weer een prachtige woning op te bouwen.

Blom, maart 2018

De eerste vrouw van architect Joop Blom, Catharina (Reina) Maria de Smalen overleed op 36 jarige leeftijd op 3 oktober 1935 te Leusden. Toch duikt haar naam in de oorlogsjaren op in Amsterdam, zij zou gehuwd zijn met Dirk van de Veen. Amateur genealoog Henk Bos dook in deze zaak en kwam er achter dat ook Dirk van de Veen voor de oorlog al was overleden. Medewerkers van het Eemland archief konden voor opheldering zorgen. Het bleek dat Karel Brouwer, een gemeente ambtenaar en verzetman uit Leusden, tijdens de oorlog de indentiteit van overleden personen gebruikte om nieuwe persoonskaarten aan te maken, waarmee vele joodse onderduikers een andere indentiteit kregen. Na haar overlijden heeft de naam van Reina Blom-de Smalen toch een ander persoon kunnen redden.

Terug naar de homepage